You are here:      Home AAHCH Publicaties Mythen in de vachtkleurvererving bij Appaloosa's
Mythen in de vachtkleurvererving bij Appaloosa's
Fokkers van Appaloosa's willen graag zekerheid dat het veulen de kleurrijke vacht van een Appaloosa heeft. Deze zekerheid wordt vergroot als één van de ouders homozygoot is voor het Appaloosa-gen, de aan/uit-schakelaar van de typische vachtpatronen. Er gaan vele verhalen de ronde over hoe een homozygote Appaloosa te herkennen zou zijn. Helaas zijn een aantal van die verhalen niet (geheel) waar. Twee Amerikanen, Gene Carr en Robert Lapp, ontkrachten een achttal mythen door hun bevindingen van tientallen jaren onderzoek naar de vererving van vachtkleuren bij Appaloosa's.

Mythe 1: Een hengst of merrie is homozygoot voor het Appaloosa-gen als 100% van de nakomelingen de typische Appaloosa vachtkleur bezit.
Antwoord: Hoewel aantrekkelijk wordt de redenatie omgedraaid. Om met een behoorlijke zekerheid te kunnen stellen dat een hengst of merrie homozygoot is moet gekeken worden naar de combinatie van ouders en voorouders, vachtkleur van de hengst/merrie zelf, het aantal nakomelingen en de partner waarmee gekruist is. Met name kleine aantallen nakomelingen kunnen door puur toeval de indruk wekken dat een ouderpaard homozygoot is.

Mythe 2: Oren met een witte punt zijn karakteristiek voor few-spots en snowcaps en dus een kenmerk van homozygotie.
Antwoord: Witte oorpunten zijn niet uniek voor few-spots of snowcaps en ook geen typisch kenmerk van deze vachttekeningen. Alle typen Appaloosa's kunnen witgepunte oren hebben, of niet. Er is geen enkele aanwijzing dat witgepunte oren duiden op homozygote paarden.

Mythe 3: Het few-spot patroon kan alleen ontstaan als minimaal één van de ouderpaarden een leopard is.
Antwoord: Hoewel dit idee lange tijd heeft bestaan hebben Carr en Lapp door intensief onderzoek sinds 1998 aangetoond dat few-spots niet per definitie een ouder hebben met het leopard patroon. Elke few-spot die zij ontdekten had wel ergens een leopard voorouder, maar soms pas in de vierde generatie.

Mythe 4: Hoe groter het aantal en de grootte van de spots van een hengst of merrie, hoe groter de kans op gekleurde nakomelingen, speciaal van hengsten of merries met één niet-Appaloosa ouder.
Antwoord: Het tegenovergestelde lijkt dichter bij de waarheid te liggen. Carr en Lapp hebben daarom "heavy leopards" en "light leopards" onderscheiden. Uit hun onderzoeken blijkt dat light leopards over het algemeen een hoger percentage gekleurde nakomelingen produceren dan heavy leopards.

Mythe 5: Een hengst of merrie kan niet homozygoot zijn als beide of één van de ouders een product is van een crossbreeding.
Antwoord: Aangezien één van de grootouders (in de crossbreeding) Appaloosa is en dus het Appaloosa-gen bezit, kan het dit gen doorgeven aan de nakomeling. Deze namekomeling zal dan zowel een Appaloosa- als een niet-Appaloosa-gen bezitten (de eerste van de Appaloosa-ouder, de ander van de crossbred-ouder). Als dit paard vervolgens nakomelingen krijgt kan het aan die nakomelingen het Appaloosa-gen doorgeven.
Schematisch ziet het er als volgt uit (waarbij "Lp" staat voor het Appaloosa-gen en "lp" voor het niet-Appaloosa gen):

Appaloosa A (genen: Lp/lp) x niet-Appaloosa (genen: lp/lp)
mogelijke nakomeling: Appaloosa B (genen Lp/lp)

Appaloosa B (genen Lp/lp) x Appaloosa C (genen Lp/lp)
mogelijke nakomeling: Appaloosa D (genen Lp/Lp) = homozygoot

Mythe 6: Een snowcap heeft een blanket met heel weinig tot helemaal geen spots.
Antwoord: Uit onderzoek van Carr en Lapp blijkt dat sommige snowcaps een niet-Appaloosa als ouder hebben en dus niet homozygoot kunnen zijn. Hoe kunnen ze dan snowcap zijn? Carr en Lapp bestudeerden honderden Appaloosa's in levende lijve en op foto's en ontdekten dat snowcaps niet altijd snowcaps zijn. Er bestaan veel zogenaamde "false snowcaps". Om een
"true snowcap" te kunnen identificeren - en dus met zekerheid te kunnen zeggen dat het paard homozygoot is - moet gelet worden op het aantal, de grootte en de plaatsing van de spots, en of het blanket wel werkelijk helemaal wit is. Een homozygote snowcap kan in de blanket een paar kleine spots hebben, die laag op de heup of achterhand zitten. Hebben deze spots echter een diameter van 2,5 cm. of meer dan is het paard waarschijnlijk toch geen echte snowcap. Zelfs een blanket zonder spots kan misleidend zijn: sommige blankets zijn namelijk geroaned, hebben dus gekleurde haren verspreid door de witte haren zitten. Het onderscheiden van een werkelijke snowcap, zonder de vachtkleur van de ouders en nakomelingen te weten, is dus een heel moeilijke zaak.

Mythe 7: De kans is het grootst op een nakomeling met een leopard of blanket bij een kruising van leopard met leopard en blanket met blanket.
Antwoord: Dit is te simpel gedacht. Over de vererving van vachtpatronen is nog erg weinig bekend, mede omdat er in de meeste pedigrees van Appaloosa's combinaties van patronen zijn gebruikt. Zelfs als drie of vier generaties lang alleen leopards met leopards of blankets met blankets zijn gekruist. is er nog geen zekerheid te geven over het vachtpatroon van de nakomelingen. Zoals bij mythe 6 al is genoemd kan het definiëren van vachtpatronen op zich al problematisch zijn: wanneer is een blanket een blanket? Wat is eigenlijk een leopard? In mythe 4 werd al gesproken over "light leopards" en "heavy leopards", waar zit daar de grens?

Mythe 8: Een homozygote Appaloosa kan alleen ontstaan uit een Appaloosa/Appaloosa kruising.
Antwoord: Carr en Lapp hebben in zes gevallen met zekerheid geconstateerd dat een kruising tussen een Appaloosa en een solid resulteerde in een homozygoot Appaloosa nakomeling. De kans op een dergelijk homozygoot veulen lijkt groter als één van de ouders of een paar generaties daarvoor leopard is (het is nu nog onduidelijk om hoeveel generaties terug het gaat). De ene solid lijkt een grotere potentie voor het doorgeven van kleur te hebben dan de andere solid. Deze bevindingen lijken tegenstrijdig met de huidige opvattingen van een dominant Appaloosa-gen, dat fungeert als aan/uit-schakelaar voor de vachtpatronen van Appaloosas. Op grond van deze opvattingen zou een solid geen Appaloosa-genen hebben, waardoor de schakelaar "uit" staat en eventuele vachtpatronen bij een solid dus niet tot uiting komen. Als door verder onderzoek meer steun gevonden wordt voor de bevindingen van Carr en Lapp betekent dit dat er anders gekeken moet worden naar het genotype van solids en wellicht ook naar de dominantie en schakelaarfunctie van het Appaloosa-gen.